Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Bezoek Vivenkapelle

Op zaterdag 14 juni 2014 bracht de heemkundige kring een bezoek aan de neogotische site Vivenkapelle op het grongdgebied Damme. Dit met Rita Bossuyt als gids.
Bron tekst: Inventaris voor Onroerd Erfgoed.
Foto's: Yvette Kemel.

Historiek.
In 1824 koopt Philippe Verhulst (1777-1858) uit Brugge de middeleeuwse kapel van Vivenkapelle om ze van dreigende afbraak te redden en ze opnieuw voor de eredienst te gebruiken. Aanvankelijk had Philippe Verhulst zich enkel het eerherstel van de eeuwenoude bidkapel tot doel gesteld. De aanstelling in 1858 van proost A. Van Becelaere betekent de aanzet tot de uitbouw van het bedevaartsoord tot parochie met pastorie en onderwijsgebouwen voor jongens en meisjes. De gezusters Elisa en Coralie Verhulst vertrouwen de plannen voor de uitbreiding van de kapel tot kerk, voor de pastorie en voor het Broederklooster met school toe aan Jean-Baptiste de Béthune, een vriend van de familie en vooraanstaand figuur van de neogotische beweging in Vlaanderen.
Klik op de foto's om te vergroten.

De naam van de kerk verklaart haar geschiedenis. Zij is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en aan de Heilige Philippus. De eerste duidt op het eeuwenoud Mariaal bedevaartsoord van Viven, terwijl de apostel Philippus verwijst naar Philippe Verhulst, de Brugse weldoener die in de 19de eeuw de bidkapel in ere heeft hersteld. Na zijn dood hebben zijn beide dochters Coralie en Elisa de site tot een groots neogotische geheel uitgebouwd.

In 1349 krijgt Hendrik Braderic, een rijke Brugse poorter, toelating van paus Clemens VI om op zijn eigendom in de parochie Sint-Kruis te Brugge een kapel te bouwen, tot lof van de Goddelijke Naam en ter ere van de H. Maagd. Hij verwerft voor hem en voor zijn nakomelingen het patronaatsrecht over de kapel. In 1354 koopt Braderic de heerlijkheid van Viven te Sint-Kruis. Patronaatsrecht en grondbezit worden aan elkaar gekoppeld, vanaf dan blijft de kapel onlosmakelijk verbonden aan de Heren van Viven, tot aan de Franse Revolutie waarbij de feodale instellingen worden afgeschaft. De kapel wordt een mariaal bedevaartsoord, met een vereerd Mariabeeld. Tijdens de godsdiensttroebelen in de tweede helft van de 16de eeuw wordt de kapel door geuzen verwoest (1578). Enkel de vier muren staan nog overeind. Het vereerde Mariabeeld ging verloren. Pas in 1635 wordt toestemming verleend de kapel te herstellen, wat rond 1650 wordt uitgevoerd. Een gedetailleerde beschrijving van de kapel is te lezen in een verslag van de visitatie in 1652 van Hubertus Waghenaers aan de dekenij Brugge, waarbij hij ook Vivenkapelle bezoekt:
"
De binnenkant van de gotische kapel is opgebouwd in baksteen, de buitenkant in veldsteen. Het kleine bedehuis wordt verlicht door vier vensters, één in elke muur. Buiten de westingang, is er nog een kleine deur ongeveer in het midden van de noordmuur. Er staat een bakstenen altaar zonder altaarsteen; op een houten afdekking ligt een witmarmeren steen, dienstig voor draagaltaar, met vijf ingebeitelde kruisjes en het inschrift "MELLE 1576". In de kapel bevinden zich drie Mariaschilderijen, waarvan één een drieluik. Boven het altaarretabel staat een Mariabeeld dat gemaakt is ter vervanging van het verdwenen beeld".
In 1710 wordt François Claesman Heer van Viven. Hij laat de kapel moderniseren, en neemt tegelijk de kunstschatten weg. Intussen heeft de gotische kapel een barok uitzicht gekregen: een barokke vensterverdeling, een 17de-eeuws gewelf met gordelbogen en trekstangen en een barok interieur. In 1797 wordt de kapel door Brugse 'libertijnen' opnieuw geplunderd, en in 1799 openbaar verkocht. De koper is Jacobus Vlaeminck, die optreedt namens en met financiële hulp van de inwoners van Viven, maar na de aankoop zijn nieuwe eigendom voor zichzelf houdt. Jarenlang wordt het heiligdom als schuur gebruikt.

In 1827 wordt de kapel met de omliggende gronden op een openbare verkoop gekocht door Philippe Verhulst. De nieuwe eigenaar woont in het Hof van Watervliet in de Oude Burg te Brugge, maar bezit een buitengoed op het grondgebied van Moerkerke, vlakbij de kapel van Viven (cf. Weststraat nr. 50). Hij is kerkmeester en weldoener van de Brugse O.L.V.-kerk en (vanaf 1835) schepen te Brugge. In een brief van 1855 aan bisschop Malou schrijft hij dat hij de kapel kocht om ze van dreigende afbraak te redden en ze opnieuw voor de eredienst te gebruiken. Als rijke en vrome katholiek wil hij een einde stellen aan de 'ontheiliging'. Hij laat de kapel herstellen en het midden 17de-eeuwse Mariabeeld terugplaatsen. Dit houten beeld is na de plundering van het kapelinterieur in 1797 terecht gekomen bij inwoners van Viven. In 1833 vraagt Philippe Verhulst aan bisschop Renaat Boussen de toelating om in het herstelde bedehuis op zon- en feestdagen opnieuw de mis te laten celebreren, wat niet wordt toegestaan. Onder de ambtstermijn van de volgende bisschop is het klimaat gunstiger. Mgr. Jean-Baptiste Malou is een groot Maria-vereerder, en zonder veel moeilijkheden verkrijgt Philippe Verhulst de gunst om op de feestdag van Onze-Lieve-Vrouw Geboorte mis te laten lezen. Op 10 september 1855 komt de bisschop persoonlijk de bidplaats inwijden. In 1856 wordt op de zuidkant een kleine sacristie aangebouwd, met een rond venster met vierpas in elke vrijstaande muur. Nog net voor de dood van Philippe Verhulst in 1858, wordt Viven tot proosdij verheven, waardoor elke dag mis mag worden opgedragen en een proost wordt verbonden aan de kapel. De eerste proost is August Van Becelaere (1820-1909), die de belangrijkste inspirator wordt voor de uitbouw van de bedevaartplaats tot een parochie. Voor de bewoners van het ommeland wordt de oude kapel een centraal gelegen bidplaats, waar de proost kan tegemoetkomen aan hun behoefte van dagelijkse misvieringen, lof en biecht. Daardoor dringt zich de noodzaak op van een pastorie en een uitbreiding van de oorspronkelijke kapel. De dochters van Philippe Verhulst, Elisa en Coralie, bouwen de droom van hun vader verder uit. Zij ijveren voor het ideaal van een kerkdorp met inbegrip van kerk, pastorie, broeder- en zusterklooster met aansluitende scholen. Jean-Baptiste de Béthune, vriend van de familie en topfiguur binnen de neogotische beweging in Vlaanderen, wordt als architect aangesteld.

In een brief van 2 maart 1859 vraagt Elisa Verhulst aan Béthune een ontwerp voor vergroting van de bestaande kapel naar een kerk met een capaciteit van 700 à 800 mensen. Dit onuitgevoerd ontwerp is bewaard: de oude kapel is vergroot en uitgelengd tot kerk, waarbij de kapel dienst doet als koor van een vrij smalle, éénbeukige kerk met vrijstaande klokkentoren. Dit bescheiden begin evolueert naar een grootser opzet: in een brief van februari 1861 vraagt Elisa de mening van Béthune over een kerk met drie beuken. Eenmaal deze beslissing genomen, kan de discussie beginnen rond de wijze waarop de oude kapel zou geïntegreerd worden in de nieuwbouw. A. Van Becelaere, eerste proost en historiograaf van Viven, opteert radicaal voor de afbraak van de oude kapel, die zou storen tussen al de nieuwe gebouwen. Ernest Van Huele, echtgenoot van Coralie Verhulst, dringt om sentimentele redenen aan op behoud van de kapel; hij stuurt aan op een integratie zonder wijzigingen. Uiteindelijk wordt beslist de oude kapel als zuidkoor in het geheel te integreren, mits ingrijpende aanpassingen: verkorting van 1 meter en omvorming van het barokke interieur volgens een 14de-eeuws ideaalbeeld, met neogotische vensterpartijen en interieurinrichting. Op 15 juli 1861 wordt de eerste steen gelegd van het nieuwe kerkgebouw dat in 1864 voorlopig in gebruik wordt genomen en op 10 september 1867 plechtig wordt ingewijd door Mgr. Faict. Tien jaar later meldt Elisa Verhulst dat de kerk helemaal bemeubeld is en aan een duizendtal personen plaats kan bieden.

In de jaren 1860 en 1870 wordt door een heel team kunstenaars gewerkt aan de interieurinrichting en het meubilair van de kerk. De nauwe samenwerking tussen opdrachtgevers, bouwmeesters, aannemers, ambachtslieden en kunstenaars, waarbij uiteindelijke beslissingen steeds door Béthune werden getroffen, bewerkstelligen in de kerk van Vivenkapelle een uitzonderlijk voorbeeld van een Gesamtkunstwerk. Zowel voor de ruwbouw als voor de afwerking en de versiering van het kerkinterieur werkte Béthune met nagenoeg dezelfde ploeg vaklui als voor de bouw van het kasteel van Caloen in Loppem. Louis Bulckaert (1819-1905) uit Loppem is aannemer van het metselwerk. De Bruggeling Charles Van Robays (1822-1872) zorgt voor het timmer- en schrijnwerk. Hij wordt opgevolgd door Charles Lenoir (1836-1917) uit Brugge. De beelden en het figuratieve beeldhouwwerk aan het kerkmeubilair worden vervaardigd door Leopold Blanchaert (1832-1913), terwijl zijn broer Leonard Blanchaert (1834-1905) instaat voor de decoratieve sculptuur aan de altaren. Geïntroduceerd door Florimond Van de Poele worden deze Oost-Vlaamse kunstenaars in Béthunes atelier opgeleid en met zijn opvattingen over de neogotiek bezield. De Bruggelingen Pierre Van Cleven en Edward De Vooght (1828-1922) vervaardigen het kunstsmeedwerk. Voor edelsmeedwerk en juwelen wordt er een beroep gedaan op het atelier van Armand Bourdon-De Bruyne (1818-1903) in Gent. Emilie Van Outryve d'Ydewalle, echtgenote van Béthune, is grotendeels verantwoordelijk voor wat de kerk bezat aan textiel. De polychromie van het interieur en de beschildering van de beelden worden uitgevoerd door Adrien Bressers (1835-1898).
Zeker vanaf 1866 werkt men aan het beschilderen van het interieur, te beginnen met de gewelven; vanaf de jaren 1870 is men bezig aan de beschildering van de muren. Het geheel is klaar in de loop van het jaar 1875. Nog voor de voltooiing treden ernstige problemen op. Al van in het begin heeft de kerk last van vochtproblemen, vooral door opstijgend grondvocht. In 1893 moet de polychromie gerestaureerd worden, Adrien Bressers staat hiervoor in. In 1909 probeert men de problemen op te lossen met het 'systeem Knapen', genoemd naar bouwmeester L. Knapen uit Schaarbeek: er worden draineerbuizen in de muren aangebracht voor de verluchting, zodat het opstijgende grondwater kan verdampen en wegvloeien. Dit geeft niet het gewenste resultaat.

Jean-Baptiste de Béthune legt in 1860 zijn plannen voor een jongensschool met bijhorend klooster voor. Op 16 oktober 1860 wordt begonnen met de opbouw van de jongensschool en op 19 februari 1861 wordt de eerste steen van de woning van de Broeders gelegd. Beide gebouwen, in 1863 in gebruik, vormen oorspronkelijk twee van elkaar losstaande vleugels, loodrecht op de straat. De werken worden uitgevoerd door het vaste team medewerkers rond de Béthune, zoals aannemer Louis Bulckaert (1819-1897) uit Loppem en de Brugse schrijnwerker Charles van Robays (1822-1872). Voor het onderwijs van de jongens wordt op aanraden van Van Becelaere beroep gedaan op de congregatie van de Broeders van Dale uit Kortrijk, gesticht in 1761. De broeders zijn niet alleen met de school belast, maar dienen ook als zangmeester en koster in de kerk op te treden en voor de ziekenzorg in te staan. In 1870 beslist de familie Verhulst de school met een klas uit te breiden naar het zuiden. Wegens het steeds groeiende aantal leerlingen, wordt in 1879 een derde vleugel gebouwd aan de straatkant, als verbinding tussen de twee bestaande gebouwen. Bij deze verbouwing wordt een herinrichting van de bestaande vleugels doorgevoerd. Er wordt tevens in de nieuwe vleugel een vergaderruimte voorzien voor het Sint-Vincentius a Paulogenootschap, dat in Vivenkapelle is gesticht door Ernest van Huele, echtgenoot van Coralie Verhulst, Charles van Caloen uit Loppem en Jean-Baptiste de Béthune, een driemanschap van gedreven Ultramontanen.

De Broederschool met -klooster sluit in 1960 zijn deuren. De jongensschool wordt door leken overgenomen totdat in 1970 de meisjes- en de jongensschool fuseren. Op 11 december 1980 wordt de pastorie beschermd als monument. In 1988 gebeurt de overdracht van het complex aan de stad Damme. Sindsdien wacht het op een nieuwe zinvolle herbestemming, en is een grootschalige restauratie aan de gang onder leiding van de Brugse architecten Aimé Meyer en Piet Viérin.

Florimond Van de Poele, neef van dochters Elisa en Coralie Verhulst en vriend van de Béthune, wordt gevraagd voor het ontwerp van het zusterklooster met meisjesschool. Voor de opvoeding van de meisjes van Vivenkapelle en het omliggende kiezen de zussen Verhulst voor de Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis. Die congregatie was in 1859 in Brugge gesticht met het doel aan de buitenparochies van het bisdom onderwijs te verstrekken. Op 7 augustus 1866 wordt de eerste steen gelegd van het Zusterklooster met meisjesschool, in 1869 opent het haar deuren. In 1888, uitbreiding met kleine vleugel voor bewaarschool. De werken worden uitgevoerd door het vaste team medewerkers rond de Béthune dat in Vivenkapelle werkzaam was, zoals aannemer Louis Bulckaert (1819-1897) uit Loppem, de Brugse schrijnwerker Charles van Robays (1822-1872) en Adrien Bressers (1835-1898) die instaat voor de polychromie.

Na de dood van Eliza Verhulst gaat de school in 1908 over in handen van de Stichting Verhaegen-Verhulst onder leiding van de neogoticus Arthur Verhaegen (1847-1917). Sinds 1971 is het Zusterklooster een afdeling geworden van het Onze-Lieve-Vrouw-College te Assebroek, dat kleuter- en lager onderwijs aanbiedt. In 1973 verlaten de laatste Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis Vivenkapelle. Op 11 december 1980 wordt het gebouw beschermd als monument. Door financiële moeilijkheden wordt de school in 1988 overgedragen aan de stad Damme. In 1991 worden dringende instandhoudingwerken uitgevoerd. De schoolfunctie heeft zich na het verdwijnen van de religieuzen uitgebreid over het ganse gebouw, zonder dat dit noemenswaardige wijzigingen met zich meebrengt. Er vindt een belangrijke restauratiefase plaats in 1997-98 onder leiding van architect Aimé Meyer (Brugge) met medewerking van architect Piet Viérin (Brugge). Aan de buitenkant wordt slechts op één plaats een wijziging doorgevoerd, nl. een venster om een klaslokaal van meer licht te voorzien. Binnenin worden de scheidingswanden tussen de slaapcellen verwijderd ten voordele van één groot klaslokaal. Eén schouw dient te worden afgebroken, maar wordt gerecupereerd in een ander lokaal. Mede door deze restauratie wordt de neogotische site Vivenkapelle één van de genomineerden voor de Vlaamse Monumentenprijs 1998.